Maandelijks archief: augustus 2004

Fietsvakantie 2004 deel 3

Ik fietste nu zo’n beetje met de Uecker of Ücker mee. Via Angermünde, Prenzlau, Pasewalk en Torgelow reed ik de deelstaat Vorpommern in. Aardige plaatsen, maar ze haalden het niet bij Ueckermünde. Daar was net de haven prachtig opgeknapt. Richting noordwest kwam ik een mooi fietsgebied tegen met veel paden. Toch hielpen die niet om op Usedom te komen. De enige weg er naar toe liep vanuit het zuidwesten, waardoor ik via Anklam moest omfietsen. Usedom is een leuk eiland, maar wel vreselijk druk. Wat moet al dat autoverkeer daar? Zeker als er ook nog eens een spoorlijn over loopt. Na wat gespeur vond ik een fietspadje door de duinen. Erg attractief voor mijn “nieuwe” fiets, ettelijke keren een klein stukje duinop en duinaf van 16%.

Via de enorme ophaalbrug bij Wolgast verliet ik het eiland. In Wolgast begon het meteen te regenen en wist ik redelijk snel een pension te vinden. Dit stadje had een openlucht scheepvaart museum, wat misschien de aanwezigheid verklaarde van een bezoekend nederlands cruise-schip. De volgende dag ging ik verder westwaarts en kwam ik via het bezienswaardige Wieck in de hanzestad Greifswald. Vanaf daar was een prachtige nieuwe weg aangelegd en “mochten” de fietsers en tractors de oude rammelweg gebruiken. Nu kwamen mijn dikkere hybride-banden goed van pas.

Bij Stahlbrode nam ik de veerpont naar Rügen. Dit eiland wilde ik ook eens bekijken. Via deze toegang was het niet zo druk, maar later bleek dat toch tegen te vallen. Er waren wel fietspaden, maar die hadden geen doorgaande functie. Nadat ik Putbus en Bergen bekeken had, dacht ik er nog over om het veer naar Zweden te nemen. Nadeel daarvan was de verkeersdrukte tussen Malmo en Kopenhagen, waar ik geen trek in had. Het leek me slimmer om vanaf Rostock naar Denemarken te gaan. Om dat te doen moest ik eerst van dit eiland af. Ik wilde in Stralsund overnachten, en de enige manier om daar te komen was via de vreselijk drukke E22 die geen enkele fietsvoorziening had.

Misschien is dit een leuk eiland voor fietsers rond de vuurtoren, maar voor een doorgaande fietser vond ik het niks. Stralsund bleek een betere keus. Dit was niet alleen een hanzestadt, maar was ook al een wereld-erfgoed van de Unesco. De dag er op (Zaterdag 11 Juli) ging ik verder westwaarts. Nog steeds veel tegenwind en een enkel buitje. Rostock, ook een hanzestad, viel me tegen. Het enige leuke was een lift in een oude kerktoren. Niet zo handig voor de klokkenluider, want de klokken stonden gewoon beneden naast de kerk. Kamers waren hier behoorlijk prijzig. Niet verwonderlijk als ze die dingen volproppen met koelkasten, föhn en andere onnodige milieu-vervuilende rommel.

Ik kreeg dus al meer trek in het rustige Denemarken. De veerpont naar Gedser ging prima. Aangekomen op Falster was het weer daar niet veel beter. Na enkele kilometers begon het te miezeren en dat bleef zo. Als snel bedacht ik bij Nykobing linksaf te gaan, wat meteen een berg tegenwind opleverde. Daarbij was het me daar ook te koud. Het werd dus richting Rodbyhavn om daar de pont terug te nemen, maar nu naar het voormalige West-Duitsland. Onderweg zag ik nog wel een mooi kasteeltje en vanaf Maribo had ik nog wel een hele mooie fietsroute die deels over een oude spoorlijn ging.

Met dit veer stak ik dus over naar Fehmarn. Daar werd eerst een intercity-trein van de pont gereden, wat vrij vlot ging. Op dit duitse schiereiland bleef het maar even droog tot de hoofdstad Burg. Daar viel een flinke plensbui. Erg was dat niet, ik wilde er toch al overnachten. Zij vierden hun jaarlijkse drinkfeest, waar ik ‘s-avonds dezelfde Australiër trof die ik ook al op de pont gesproken had. Hij fietste van noord naar zuid door Europa, en was nog maar net begonnen. De laatste keer dat ik een mee-fietser trof was net voor Bad Pyrmont. Maar ook toen had ik moeite om mijn tempo naar beneden bij te stellen. Dat terwijl ik meestal maar 25km/h fiets.

Vanaf hier was het weer ook niet optimaal. Ik ben eerst richting Lübeck gegaan om zo een grote bui te ontwijken. Na een kilometer of 40 zag de lucht in die zuidelijke richting ook zwart en leek het in het westen lichter te worden. Dus meteen rechtsaf waardoor ik in het mooie merengebied rond Plön belandde. In Preetz sliep ik in een museumachtig historisch pension, waarbij ik over de WC moest stappen om bij de douche te komen. Kiel viel me zwaar tegen. Door de vele grote wegen was er lastig te komen en nog lastiger te gaan. Fietsbordjes misten, en met de grote weg mee mocht niet. Het weer was wederom grauw en ik kon me dus niet op de zon oriënteren.


Na flink dwalen door een stuk bos kwam ik zomaar bij het Nord-Ostsee-Kanal. Dat was ook de bedoeling omdat ik een interessante brug in Rendsburg wilde zien. Dat lukte prima en als fietser kon ik ook zo mee met dit zweefveer. Ooit had ik eenzelfde brug gezien in Middlesborough. In Rendsburg ging ook nog een spoorlijn over het 40 meter hoge raamwerk. Het was trouwens een leuk stadje, waar de treinen helemaal omheen rijden. Hier is dus echt een rondje om de kerk te doen. Die omrit dient om hoogte te winnen voor die 40 meter hoge brug.

De volgende dag heb ik dit treinritje gemaakt richting Hamburg. Het weer was nog slechter geworden, de eerste uren bleef het constant regenen. Ik had het plan opgevat om maar meteen naar huis te treinen en later in het jaar nog eens een kleine fietsvakantie te doen. In Hamburg dacht ik daar toch weer anders over. Daar scheen een zonnetje en het was er droog. Dus toch maar weer op de fiets gestapt. Probleempje was de oversteek om naar de andere kant van de Elbe te komen. Na wat zoeken vond ik een fietsbordje met daarop “Stade 42km”. Ik wist dat die plaats noordelijker aan de andere kant lag. Dat bordje wees daarbij naar de overkant van de Elbe, dus hier moest ik wel ergens het gewenste pontje kunnen vinden. Dat bleek dus een hogesnelheidspont te zijn die meteen vertrok richting Stade. Het kaartje viel me erg mee en deze verkapte Elbe-rondvaart leek me wel wat en was ook best interessant.

Binnen 40 minuten was ik in Stade, waarvan ik wist dat het een mooi binnenstadje heeft. Daar begon het weer te regenen en begaf ik me al snel naar het station om een trein richting Bremen te nemen. Die trein reed alleen in het weekend, nu had ik alleen de keus uit de richting Cuxshaven of Hamburg-Harburg. Dat laatste was toch korter en ik ging dus maar weer terug naar Hamburg. De speciale fietswagon was goed gevuld met nog 6 andere fietsen en fietsers. Die fietsvoorzieningen zijn trouwens heel goed in de Duitse regionale treinen. Veel ruimte. Nieder-Sachsen vraagt maar 3 euro voor de hele dag, in Schleswig-Holstein is het zelfs gratis. Ik had me ook laten verleiden voor een zogenaamde Nieder-Sachsen-kaart waarmee ik als passagier de hele dag in deze deelstaat (en Bremen) mocht rondtreinen. Na 10 minuten verminderde het rendement van die kaart behoorlijk. De trein kon niet door Buxtehude.

Volgens de stationschef was Buxtehude van de kaart. Wij dachten aan een kernramp, maar het bleek om een kapot sein te gaan. We zaten helemaal voorin en met het raam open konden we de gesprekken tussen machinist en stationschef goed volgen. Er was een monteur onderweg. Toen dat na een uur nog niets opleverde kwamen uiteindelijk de “Ersatz”-bussen. Het regende nog aldoor en na wat zeuren kreeg ik mijn fiets ook in zo’n bus.

Daarmee was de ellende niet over. Die bus ging tijdens de spits alle stationnetjes af om te zien of daar nog iemand op “onze” trein stond te wachten. Dit inventen, wat niets opleverde, nam nog een uur. Waar het veer 40 minuten over deed nam deze trein-bus-reis ruim 2 uur. Het leuke is wel dat je veel mensen spreekt die allemaal in het zelfde schuitje zitten. Kortom dit zwerftreinen of beter zwerfbussen was best amusant en gezellig. Naar Bremen had ik weer een trein die het prima deed. Dit oostduitse ontwerp had voor de fietsers een lage instap en een invalide WC. In dat toilet-zaaltje paste mijn fiets al 3 keer, maar dat was niet nodig. Het fietsen-compartiment bood ruimte aan zeker 10 verlengde tandems. Daar kan de NS nog veel van leren. Mijn redelijk korte fiets moet bij hen meestal met een half wiel voor de deur.

Inmiddels was het laat geworden en zag ik het niet meer zitten om de enige trein naar Groningen te pakken. Omdat Osnabrück ook nog net in Nieder-Sachsen valt, leek me dat een betere keuze. Daarvoor hoefde ik maar 5 minuten te wachten op Bremen. Maar ook via deze hoofdroute zou ik Alkmaar niet meer halen zonder overnachting. Ik begreep dat deze trein ook in Bohmte stopte, en dat leek me de juiste plaats om uit te stappen. Een jaar eerder had ik hier prima overnacht vlakbij het station. En inderdaad dit hotel stond er nog en er was nog een bed over. De dag erop wilde ik een kaartje kopen, maar dat ging niet met de enige kaartautomaat. Pin-passen slikte deze niet, net zo min als gewoon geld. Tot Osnabrück heb ik dan ook voor niets gereden. Vanaf daar was ik in no-time thuis. Wat rijden die Nederlandse treinen toch mooi op tijd en enorm vaak.

Deel 1Deel 2

Fietsvakantie 2004 deel 2

Ik was inmiddels in de Harz gekomen en het voormalige Oost-Duitsland in. De asfalt-wegen en -fietspaden bleven prima van kwaliteit, wat mij de moed gaf om verder oostwaarts te fietsen. Wernigerode vond ik ook erg mooi. Daar begon de HSB (Harzer SmallSpurbahn). Om die te nemen moest ik een paar uur wachten. Dus volgde ik zelf die route op de fiets richting Brocken-berg. Onderweg had ik een stoomtreintje of 3 ingehaald, ondanks het stijgingspercentage van gemiddeld 4%.

Bij de voorlaatste halte wilde ik op 800 meter hoogte nog een klein stukje met zo’n trein meetuffen naar de top. Voor die 5km moest ik echter 22 euro betalen. Dat bedrag gold voor de hele lijn vanaf Wernigerode. Dus maar weer op de fiets verder. Dat hield dan ook meteen weer op, omdat er een langdurige bui over deze hoogste berg van de Harz kwam. Na anderhalf uur koffieleuten in Schierke was de bui weg en de temperatuur ook. Op een dergelijke kou (12 graden) had ik niet gerekend, dus snel bergaf richting warmer.

Met een flinke snelheid reed ik naar Quedlinburg. Ook dit is een Unesco-erfgoed. Hier wonen de meeste mensen met de duitse versie van mijn achternaam. Oude kerkhoven of grafstenen kon ik er niet vinden. De stad was trouwens erg verlaten door een jaarlijks feest in Aschersleben. De prijzen voor accommodatie waren een stuk (50%) hoger als in Goslar, terwijl ik die stad toch een stuk mooier vind. (Destijds ‘spaarde’ ik nog geen putdeksels. Geen idee of me die van Quedlinburg destijds zijn opgevallen. Gelukkig stuurde Margo rond 2010 haar versie.)

Ik was nu in het oorsprongs-gebied van onze naam beland. Zo ben ik door Pansfelde en Abberode gegaan. Dit zijn gehuchten waar geen winkel of kroeg te vinden is. In dit bosrijke gebied was het wel heel lekker fietsen. Vrijwel alle plaatjes eindigen daar op rode wat met rooien van bomen van doen heeft. Net buiten Abberode stuitte ik op de naam Tilkerode. Dit is een gehucht dat onder Abberode valt. In het Archief van Leipzig staat dat de naam Pilgenroth rond 1550 als eerste voorkwam “bei Abberode”. Misschien wordt hiermee wel Tilkerode bedoeld. Bij de overlijdens-advertentie van mijn overgrootvader heeft de Alkmaarse Courant onze naam ook eens structureel vervormd tot Tielkerood. Dat geeft te denken.

Het weer was weer prima en de wind was nog steeds vanuit het westen. Met de uitlopers van de Harz mee ging ik richting Saale. Daar was plotseling weer zo’n tropische bui. Ik was net op tijd om bij het pontje van Rothenburg te schuilen in een leuk Thai’s café. Daar had ik goed zicht op de veerpont die ontzettend vaak (met maar 1 fietser of auto) overstak. Als je aan boord was ging ie meteen weg; menige Metro houdt zijn deuren langer open. Langs de Saale was trouwens een prachtig fietspad. Daar had ik niet veel aan omdat ik naar het oosten wilde. De buien zaten op dat moment ook flink tegen.

Op een heuvel moest ik me uit de voeten maken aangezien het flink onweerde en ik het hoogste punt was. Deze keer kon ik geen goede schuilplaats vinden. Gelukkig hield de regen op en kon ik me richting Köthen droogtrappen. In dat plaatsje kon ik nog een zeer ouderwets hotel vinden, met ouderwetse prijs. Midden in de stad was ook een prachtig restaurant in de Raadskelder. Verder was er het jaarlijkse koeienfeest gaande. Kortom wat wil een mens nog meer…

Bij Dessau zag ik de Elbe, waar het een flink drukker was met Zondagse fietsers. De topplaats was Wörlitz waar alle terrassen afgeladen waren met lavende fietsers. Ik heb niet begrepen waarom deze plaats zo populair was. Van Lütherstadt Wittenberg kon ik dat wel begrijpen. Ook daar heel veel fietsers. Het was nog vroeg en het weer was mooi zonnig dus trapte ik nog even door richting Jüterbog. Op nog geen 5km van de Elbe waren alle medefietsers verdwenen, ondanks dat hier een prachtige recreatief fietspad was.

Inmiddels had ik Sachsen-Anhalt verruild voor de deelstaat Brandenburg. Daarin raast het van de windturbines, hele velden staan er mee vol. Het aantal grote windmolens per inwoner is daar zeker een factor 1000 hoger vergeleken met Noord-Holland. Ook zag ik regelmatig Rapsol bij tankstations staan. Later begreep ik dat 30000 Duitsers op deze Koolzaad-brandstof rijden. Nederland heeft er ook wel 5. We lopen rijden dus wel wat achter. Op mijn fiets zit ik trouwens nog een stuk beter als het om de CO2-uitstoot gaat.

Voor het eerst had ik met deze fiets een lekke band. Achter knalde mijn binnen- door een scheur in de buitenband. In Dahme had ik nog een fietsenwinkel gezien, dus ben ik even 5km teruggelopen. Ik werd er meteen prima geholpen. Van dat kleine stukje lopen kreeg ik later wel blaren. Van de 800km fietsen had ik totaal geen last. Dat terwijl ik gewone schoenen gebruik voor het fietsen en lopen.

Via Luckau belandde ik in het stromingsgebied van de Spree, waarin ik een mooie herberg vond. Het was een boothuis met een (lege) jeugdherberg en een aantal prima “hotel”-kamers met alle voorzieningen en uitzicht op de Spree. Dit was in Beeskow dat prachtig opgeknapt was. Alsof alle gebouwen zo uit de winkel kwamen. Onderweg heb ik heel veel Oost-Duitse plaatsen gezien die net gerenoveerd waren of waaraan hard gewerkt werd.

Bij Frankfurt stak ik de Oder (of Odra) over om een klein stukje Polen mee te maken. De weg ging redelijk, maar de bebouwing zag er een stuk minder uit. Bij Kostrzyn keerde ik weer terug naar Duitsland. Inmiddels had ik dus besloten om verder noordwaarts te gaan. Dat bleek niet zo handig, want daardoor trof ik een flink noordwester tegenwind. In de zogenaamde Oderbruch is het helemaal vlak met lange slingerende rivierdijken. Daar kan je prachtig over fietsen. Het landschap en weertype verschilt dus weinig met Noord-Holland Noord. Die straffe wind joeg me al snel van de rivierdijk af, waardoor ik meer door kleine dorpjes fietste.

In die dorpjes spreek je ook zo af en toe iemand. Zo zat ik heerlijk wat te drinken op een bankje en begon er een 70-jarige inwoonster haar levensverhaal te vertellen. Zij was opgegroeid in het Poolse Stettin en door de latere grenswijzigingen op duits grondgebied beland. Later die avond, in Bad Freienwalde, werd me in de kroeg kwalijk genomen dat ik teveel in de Sie (U) vorm praatte. Ik heb uitgelegd dat dat gewoon gemakzucht is, aangezien de vervoegingen daardoor eenvoudiger zijn. Het maakte voor mij weer eens duidelijk dat Duitsers de laatste jaren flink aan het veranderen zijn. In Oderberg zag ik een leuk Radarschip op de wal naast de Alte Odra. Toen ik daar lekker in het zonnetje zat, trok een pools binnenvaartschip mooie golven in die rivier.

Deel 1Deel 3

 

Fietsvakantie 2004 deel 1

1832 km gefietst tussen 28 Juni – 15 Juli 2004 – Overzichtskaartje:

Dit verslag is gemaakt eind-Augustus 2004 en heb ik destijds op m’n website gezet. Die site is verdwenen en deze ‘herplaatsing’ in 3 delen stamt uit maart-2016.

Verslag:
Dit jaar (2004) had ik me voorgenomen om dwars door Duitsland te fietsen, en zo doende het spoor terug te volgen van de eerste Pielkenrood (mijn familienaam) die zo naar Nederland kwam. Om meteen in een vakantie-sfeer te komen heb ik de trein naar Hengelo gepakt en ben daar in het mooie Dinkel-landschap begonnen. Enkele meters verder was ik over de Duitse grens. Bad Bentheim was eigenlijk niet te vermijden. Hier was ik 20 jaar terug al eens door gefietst.

Nu bedacht ik om de heuvel van de beroerdste kant te pakken. Ik had namelijk net een nieuwe 2e hands fiets gekocht met teveel (21) versnellingen. Dat moest uitgeprobeerd worden op een smal straatje van 20% tegen het 1-richtingverkeer in. Ik hield nog 3 versnellingen (beter gezegd waren dat de enige 3 vertragingen) over. Op de top was een prachtig slot dat ik me niet meer kon herinneren.

Inmiddels was het veel zonniger geworden en kwam ik in Salzbergen een geparkeerde lokomotief uit 1927 tegen. Hier kwam ik in het stromingsgebied van de Vecht en de Ems. Rheine leek mee een mooi stadje om te overnachten. De hotel-prijzen waren mij teveel afgestemd op de mooie ligging. Na flink zoeken werd het iets buiten de stad, die evengoed nog teveel vroeg. Maar ja mijn conditie is bij aanvang nooit zo goed en vond ik 70km meer dan genoeg. De volgende morgen kreeg ik te horen dat ik de helft moest betalen. De waardin dacht dat ik met nog iemand was. Zo viel de prijs opeens weer heel erg mee.

Dinsdag 29 Juni ging ik verder in oostelijke richting. Om mijn eerdere fiets-wegen te vermijden besloot ik het Mittelland Kanal te volgen. Dat had geen fiets-route, maar de wegen waren er wel lekker rustig. Bij Recke veranderde ik de koers richting Osnabrück. Recke en later Westerkappeln zijn leuke plaatsjes en dat gold ook voor de stad Osnabrück. Hier trof ik het eerste kleine buitje. Genealogisch onderzoek heb ik er niet gedaan, daarvoor had ik geen spullen mee. De kerk en hun LandesArchiv hadden al laten weten dat daar niets van onze stamvader geregistreerd is.

In Melle trof ik een iets grotere bui, maar daarna bleef het droog en belande ik met lekker fietsweer in Herford. Die stad was uitgeroepen tot beste fietsstad van NordRhein-Westfalen. Vreemd was dat niet, de meeste fietsenrekken waren overdekt. Na het vertrek van veel Engelse soldaten was de stad eigenlijk een beetje te leeg. De Horeca is daar niet blij mee, maar het heeft wel voordelen voor een zwerffietser die van rust houd. Van daar ging ik meer richting zuidoost en kwam ik door mooie plaatsjes als Lemgo, Blomberg en Bad Pyrmont. Onderweg heb ik nog op een mooi fietspad gereden wat een voormalige spoorlijn was. Via het mooie Emmertal kwam ik bij de Weser waar ik in Bodenwerder een goed pension vond. In dit rustieke stadje draaide alles om Baron von Münchhausen die er geboren was.

Langs de Weser raasde het van de fiets-recreanten. Gelukkig ging ik verder in oostelijke richting en kwam ik geen fietser meer tegen tot Goslar. Net voor die stad werd ik ingelopen door een enorme zwarte wolk. Ik kon op tijd mijn fiets droog stallen in het centrum, waar een wolkbreuk met flink wat onweer de zaak blank zette. Na een half uur scheen de zon weer en was er geen wolkje meer aan de lucht. Het leek me wel wat om hier te overnachten. Zij waren tot Unesco-erfgoed uitgeroepen en het stond er dan ook vol met bezienswaardigheden.

Deel 2Deel 3

Fietsvakantie 2003 deel 3

In Lich trof ik Licher bier, maar ook een heel leuk stadje met flink wat Fachwerk-huizen. Ik kwam daar via een wat gedwaal waarbij ik door het mooie klooster Arnsbach kwam. Inmiddels had ik bedacht om tot de Duitse wadden-eilanden te fietsen, de koers bleef dus min of meer richting noord. Dit leek onhandig met de noord-oosten wind, maar dat was het niet. Zo had ik een prima Airco tegen het niet aflatende zonnige en vooral zeer warme weer. In het centrum van Giessen zat een setje agenten achter een tafel, bezig met het gratis afstellen van fietsen. Wat is hier aan de hand in dit voormalige autoland?

Naar Marburg lag ook al zo’n fraaie route, nu langs de Lahn. Hier zag ik een creatieve truck om aan te geven dat fietsers niet met een doodlopende weg te maken hebben. De Lahn ging door het mooie Marburg. Die dinsdag eindigde ik in het Sauerlandse Frankenberg, een heuveltop met een zwerm vakwerk-huizen er op. Het had maar 2 hotels en de goedkoopste was 48 Euro incl. ontbijt. Voor mij dus de duurste van deze vakantie. Bij de plaatselijke Italiaan werd dit op het voedsel direct terug-verdient. Hun uitstekende huis-salade werd in een schaal ter grote van een flinke afwasteil geserveerd. De kosten waren minimaal en de eerste 5 dagen hoefde ik geen groente meer.

De rivieren waren nog niet op. Vanaf Frankenstein fietste ik langs de Eder naar Korbach. Hier liepen aardig wat Nederlanders rond, zeker op zoek naar Frits. Vervolgens kwam ik nog door Brilon wat een mooier stadje is. In Lippstadt aan de Lippe sliep ik nadat ik een beetje deelgenomen had aan hun jaarlijkse zuipfeest. Ze hadden er prima weer voor. Tot laat in de avond bleef het warm en de tijdelijke biertenten hadden een flinke omzet.

Rond Lippstadt is het helemaal vlak. Een groot verschil met de dagen er voor. Deze dag begon het pas te stijgen bij Bielefeld. Hier reed ik het Teutoburgerwald in. Voor Enger zag ik een opvallende molen. Precies een maand later hoorde ik op de WDR-TV dat dit de Liesbergmühle was. In dat programma hoorde ik ook dat Bunde beroemd was voor de sigaren-handel. Zo schijnt daar de grootste sigaar te liggen en wordt er jaarlijks 20 miljard Euro aan accijnzen door een klein douane-kantoor geïnd. Met ca. 4000 inwoners is dat geen slechte score. Ik heb er wel wat rondgekeken, maar mij was dat niet opgevallen.

Bad Essen leek me een leuke plaatsnaam om te overnachten. Helaas was alles vol, op wat zeer dure kamers na. In overleg begreep ik dat in Bohmte (6km noordelijker) een hotel was dat beter bij me paste. Dat bleek nog zo te zijn ook. Ik heb er prima geslapen nadat ik er flink geboomd had met de waard. Hij had wat goede tips, onder anderen over de magneetbaan langs de Eems. Ik bedacht de koers dus wat te wijzigen. Eerst ben ik nog wel over de Moors (veenachtig moerasgebied) via Damme naar Cloppenburg gegaan. Daar is een openlucht-museum. Ik had geen zin om in de warmte achter een lange rij wachtenden aan te sluiten. Daarbij komt dat heel Duitsland deze vakantie een soort openlucht-museum voor me was. Hier sloeg ik linksaf richting Eems, waarbij ik die dag uitkwam in Werlte.

Ik wist dat de testopstelling van de magneetbaan al ruim 10 jaar net iets ten oosten van Groningen ligt. Afgelopen jaar was ik er dus vlak langs gekomen. Nu pas zag ik dit geval voor het eerst. Het betreft een baan van 35km waar een prima fietspad langs ligt. Helaas was het een zaterdag en viel er weinig te beleven. De magneettrein reed dus niet. Daarna heb ik nog een stuk langs de Ems gedwaald om zodoende in Papenburg te komen. Volgens de waard van Bohmte was dat een aardig stadje. Zelf vond ik dat wel meevallen, het deed wat Nederlands aan met 1 lange gracht er door.

De laatste tip van die man sprak mij ook erg aan, namelijk de scheepswerf van Meyer waar enorme cruise-schepen gebouwd worden. Ze doen dat in een enorme hal, die op dezelfde zaterdag ook dicht was. Naast de hal lag niets, dus dat schoot ook weinig op. Kortom een prima route maar 1 dag te laat. Dat wederom de Duitse winkels op zaterdagmiddag gesloten waren deed me besluiten om naar het wereldsere Groningen te fietsen. Met temperaturen rond de 30 graden is een supermarkt met frisdrank-voorraad zeker geen luxe. Vanuit Duitsland was een prima fietsroute richting Bellingwolde. De Duitse fietsbordjes stonden zelfs tot in dit dorp. Hier was alles open en kon ik nog weer even vooruit. Eerst nog door Winschoten gegaan dat met een 3-tal stadsmolens zeker een bezoek waard bleek. Ik besloot te eindigen in Delfzijl aangezien ik daar nog nooit geweest was. Die havenplaats viel wat tegen, maar ik vond er wel een aardig Bed en Breakfast-pensionnetje.

Thuis had ik nog wat te doen en mijn vakantiedagen raakten op. Ik bedacht dan ook deze rit in Assen af te sluiten. Uitfietsen via het Damsterdiep bleek een goede keus. Daarbij kwam ik door het aardige Appingedam en nog een stel kleine rustige dorpjes. Ik had al flink wat windmolens gezien, maar die van Woldersum vond ik nog het mooiste. Een normaal mens komt hier niet, maar door mijn gedwaal reed ik er pardous langs. Op deze foto is ook goed te zien hoe mooi het weer was; 30 graden en geen wolk te bekennen. Ik trof het dus goed, want dit was al ruim 2 weken gaande.

Na Zuidlaren had ik een bosroute richting Assen. Daarin zat een stuk geasfalteerd betonplatenpad met van die vervelende overgangen. Het duurde niet lang of ik hoorde mijn achterwiel aanlopen. Met nog maar 12km voor de boeg wilde ik er niet naar kijken trapte door zon lang zolang het ging. Op het station van Assen zag ik dat een stuk van mijn achternaaf afgebroken was waardoor enkele spaken in het luchtledige hingen. De kans is natuurlijk groot dat dit te maken had met mijn eerder spaak-probleem voor Reims. Dat ik er nu pas last van had mag een wonder heten. Gedurende de laatste 1600km van mijn vakantie heb ik er geen enkele hinder van gehad.

Verslag deel 1 | Verslag deel 2| Foto’s deel 3

Fietsvakantie 2003 deel 2

Na 2 uur treinen vauit Chaumont stapte ik met gratis vervoerde fiets uit in Belfort. Dit is de hoofdstad van het Territoire de Belfort, 1 van de weinige departementen waar ik nog niet gefietst had. Toen ik mijn fiets uit de trein haalde zag ik dat m’n achterband leeg stond. Het ventiel was gelanceerd. Dit had ik een jaar eerder ook al eens. Later bedacht ik dat de oorzaak in een verkeerde velg zit. Die is gemaakt voor normale ventielen en ik koop zelf liever de smallere Franse ventielen. In Belfort was het nog steeds slecht weer met zware onweersbuien. Tijdens het schuilen had ik een leuk gesprek in het Duits met een winkelende fietser. Deze inwoner was 50 jaar eerder in Oostenrijk opgegroeid. Rond 15 uur gaf ik de hoop op beter weer op. Nog geen kwartier later zat ik in een prima hotelletje. Een rustige kamer met alle voorzieningen voor 27 Euro. Dat was de schappelijkste prijs tot dan toe. Natuurlijk heb ik nog het indrukwekkende Belfort beklommen, dat inderdaad een Belle Fort is.

Vanaf Belfort was het, op een enkel buitje na, droog. Via een mooi fietspad langs het Canal Rhône-Rhin kwam ik in Mulhouse. Een Tour de France stad die me wat tegenviel. Het weer werd zelfs zo goed dat ik nog wat doortrapte en die dag in Neuf-Brisach uitkwam. Een paar jaar eerder was ik al eens door dit leuke vesting-stadje gefietst. Een dag later heb ik aan de Duitse kant van de Rhein gefietst en kwam ik via allerlei landweggetjes in Offenburg uit. Tegenwoordig zijn veel Anlieger Frei weggetjes voorzien van een extra bordje dat aangeeft dat fietsers niet met een doodlopende weg te maken hebben. Voor een zwerffietser is dat een zeer prettige ontwikkeling. In de avond was het prachtig zonnig, maar de volgende morgen zeker niet. Die begon met regen en leek daar ook mee te willen eindigen. Dus nog maar een treinkaartje gekocht, deze keer naar Karlsruhe. Ik had bedacht om daarna ook Speyer en Worms aan te doen.

In de trein was het zo druk met een Franse schoolklas, dat ik voor een tussenstopje in Baden-Baden koos. Die stad moest ik ook maar eens bekijken. Ik had altijd begrepen dat dit een dure stad was, maar toen ik in het centrum hotelkamers (met ontbijt) voor 25 Euro zag, dacht ik daar anders over. Verder was er veel bezienswaardig, dus hier te overnachten leek me wel een goed plan.

Ik hoorde dat er mooi weer aankwam en dat was nog waar ook. Vrijdag 23 mei werd het 25 graden, een groot verschil met de 13 graden daarvoor. Alle wolken waren vertrokken, en het leek me dan ook handig om richting Neckar te fietsen. Daarbij wilde ik het hoge deel van het Zwartewoud vermijden. Dat lukte maar deels, onderweg trof ik toch nog een helling van 17%. Met mijn tandwielen was dat dus een stukje lopen. Bij Pforzheim vond ik een prachtige fietsroute langs de Enz.

Via allerlei leuke stadjes kwam ik in Besigheim uit, de plek waar de Enz in de Neckar uitmondt. Een heel aardig stadje waar ik in een boeren Gasthof overnachtte. Langs de Neckar was ook een fietsroute aangebracht. Niet zo mooi als langs de Enz, maar zeker handig om het autoverkeer te ontlopen. Het was die dag nog warmer en zonniger. Heilbronn viel me bij de hitte wat tegen. Na de middag was het in Bad Wimpfen nog heter, maar dat deed niets af aan het pittoreske ervan.

Bij Mosbach verliet ik de Neckar en kwam ik uiteindelijk in Waldürn. Dit kleine plaatsje tegen het Odenwald had veel hotels en ik vond al snel een goed onderdak. Later bleek dat het hier om een soort pelgrimsoord gaat. Net als een dag eerder kon ik er ‘s-avonds heerlijk buiten eten. Het keurige pension koste al weinig (19 Euro), maar voor (veel te veel) voedsel en 1 liter bier wilden ze ook niet meer dan 9 Euro in rekening brengen. Een week eerder betaalde ik in Frankrijk voor beide nog het dubbele.

Inmiddels was ik bij de Main gekomen. Het verbaasde me niets dat hier ook al van die mooie fietspaden langs lagen. Al die paden worden ook goed gebruikt. Nog even en er wordt door een Duitser net zoveel gefietst als door een Nederlander. De Belgen en Fransen blijven wat dat betreft ver op hen achter. Van Miltenberg (waar net zo’n basiliek staat als in Waldürn) via Wertheim kwam ik bij Lohr. Daar was het me nog wat te vroeg en ik besloot met een miezerig beekje naar het noorden te fietsen. In Frammersbach vond ik een prima hotel, met prima Chinees en prima Frammersbacher bier. Voor de rest had dit dorp weinig te bieden.

Verslag deel 1 | Foto’s deel 2 | Verslag deel 3 met Routekaart

Fietsvakantie 2003 deel 1

Fietsvakantie 12 Mei – 1 Juni 2003.

Net als een jaar eerder, bedacht ik ook nu naar Schotland te gaan om hun millennium-aanwinst te bekijken. Door de stijging van de Euro was het daar een stuk goedkoper geworden. Helaas regende het er flink en dat zou nog veel meer worden. Koud was het er ook, dus op het laatste moment heb ik (op maandag 12 mei) toch maar de trein naar Maastricht genomen. Niet dat de vooruitzichten daar zoveel beter waren, maar ik kon er op z’n minst nog een trein pakken richting warmer.

Het viel er mee, geen regen en een graad of 17. Prima voor een klein stukje infietsen. In de laatste maanden was ik niet verder gekomen dan een paar ritjes van 30km. Op de Belgische TV had ik rond kerst iets gezien over een mini-stadje genaamd Durbuy. Het leek me leuk om dat eens te bekijken. Ik wilde Luik ontwijken, maar dat lukte niet erg. Voor ik het wist reed ik door Jupille, wat het bier-voorstadje van Luik is. Dan maar eens goed het centrum van Luik bekijken, en dat viel best mee. Een deel lag op een eiland in de Maas.

Vanaf Liège was een mooi en rustig fietspad langs de Ourthe. Durbuy was me net te ver. In Poulseux – een gehucht met 1 kroeg, 1 frituur, 1 stationnetje – stond ook 1 nieuw hotel. Na bijna 80km kwam dat goed uit. De volgende morgen zag ik dus Durbuy. Het stadje was inderdaad heel aardig met een aantal leuke oude straatjes en een slot. Verder veel veel-sterren Hotels en een berg oudere bezoekers.

Tot Hotton heb ik de Ourthe gevolgd, daarna kwam ik bij de Lesse terecht. In Rochefort heb ik overnacht. Best een aardig stadje. Iets verder lag het bekendere Han, maar daar was in de vroegte weinig te beleven. Het weer was nog goed, dus maar genieten van de groene Waalse Ardennen. Dit bosrijke deel van Wallonië is vrijwel geheel leeg. Ik fietse op een prachtig N-weg waar ik hooguit 1 auto per kwartier zag. Voor Rochefort had ik al een paar felle buitjes gehad, maar dat was niets veregeleken met de bui die in de Franse Ardennen trof. Flink wat bliksem en een witte weg van de hagel. Gelukkig duren dit soort hevige buien zeer kort en even later was het weer weer prima en vooral zonnig. In Charleville-Mézières was ik lang geleden al eens geweest, ik herkende er weinig. In het centrum vond ik mooi achteraf hotel waar ik alleen vogels hoorde fluiten, van het drukke autoverkeer was niets te merken. Donderdag 14 mei wilde ik naar Soissons gaan, daar schijnen wat mooie oude kerken te staan. Met 23 graden was het lekker fiets weer.

Bij de Aisne aangekomen hoefde ik alleen maar met de wind in de rug zo’n 70km naar het westen. Helaas trof ik een flink gat in het asfalt. Dwz ik zag dit gat te laat en wist m’n voorwiel nog net op te trekken. Het achterwiel ging er vol in. Met een gangetje van 30km/h en 10kg bagage was dat fataal voor een spaak. Daarbij liep het wiel aan. Zelf kon ik de slag er maar gedeeltelijk uit krijgen. De spaak die aan de tandwiel-kant zat was doormidden gescheurd. Langs de Aisne was geen fietsenmaker te vinden. Garages konden me ook niet helpen. Na 15km kwam ik een fietsend echtpaar tegen wat uniek is want dit waren zo ongeveer de eerste fietsers die ik na Maastricht zag. Zij hadden prachtige nieuwe racefietsen en loodsten me naar de dichtstbijzijnde fietsenmaker, zo’n 25km zuidelijker in Reims. Het bleek dat zij fietsen voor deze winkel aan het testen waren. De zaak had net zoveel fietsen als de 5 grootste fietsenwinkels van Alkmaar bij elkaar. Dit was zeer strijdig met de afwezigheid van fietsers in (en rond) deze busstad. Ik werd wel meteen geholpen en was blij toe.

In Reims was het inmiddels 17 uur en ik besloot er te overnachten; Soissons moet maar wachten op een volgende keer. In 2001 was ik ook al in Reims geweest en had ik er de grote cathedraal van binnen bekeken. Nu was het weer veel mooier en kon ik wat foto’s van de buitenkant maken. De volgende dag ging ik verder richting zuid. Deze dag was zonnig en via een Route Champagne kwam ik via leuke kleine plaatsjes uit in Sezanne. Een dag later zag ik nog steeds van die Route Champagne borden. Of ze staan daar overal, of ze hebben mijn smaak als het gaat om mooie weggetjes.

Langs de Seine kwam ik in Troyes. Hier was ik ook al eens geweest en veel was nog herkenbaar. De oude vakwerk-huizen stonden er nog en de steegjes waren nog even smal. Het is goed te merken dat deze stad banden heeft met Alkmaar, her en der kwam ik vertrouwde fietsenrekken tegen.

Zondag 18 mei was betrokken maar droog. Via de TV begreep ik dat er een zootje rot weer aan kwam en ik probeerde dat te ontfietsen door naar het zuid-oosten te gaan. Dit bleek een heel mooi fiets-gebied te zijn, waar ik wederom van die Champagne borden zag. Ik had mijn zinnen gezet op Chaumont en dat lukte maar net. 2km voor die stad, bij dit spoorweg-viaduct begon het enorm te regenen. De volgende morgen begon met veel regen en Chaumont nodigde niet uit voor nog een dagje. Op het station zag ik dat er binnen 15 minuten een regionale trein richting Basel vertrok.

Foto’s deel 1 | Verslag deel 2 | Verslag deel 3 met Routekaart

TourFiets-verslagje 1999 deel-3

Zonder veel inspanning was ik zomaar in Spanje. Dit gaf me moed en omdat ik nog steeds voor de wind had bedacht ik toch nog maar wat verder te gaan. Nu werd het echter wel klimmen en in de mooie Val d’Aran ging ik van 700 naar 1640 meter hoogte. Daar trof ik gelukkig een Tunnel (waar ik door de ventilators wel een enorme tegenwind kreeg). Eigenlijk viel het klimmen me dus wel mee, en met de mooie Noguera Ribagorçana fietste ik berg-af-waarts. 50 km verder waande ik me in een woestijn, alles was dor en droog en heet. Het was wel een adem-benemende omgeving. De slechte weg naar Tremp had helemaal een mooi uitzicht en had zonder enige afscherming een schitterende afdaling. Daarna volgde ik een zusterrivier, de Noguera Palleresa, ook erg mooi. In Balaguer hield al dat fraai’s op. Ik fietste op een troosteloze hoogvlakte waar het knap warm was. In Balaguer was ik dan ook blij met de schaduw in de smalle straatjes.

De volgende ochtend trapte ik mijn pion (achtertandwielen binnenwerk) stuk. Gelukkig had ik net in een Tàrrega overnacht, waar ik een fietsenmaker had gezien. Een uurtje later was ik al weer onderweg. (Dat had me niet een dag eerder moeten overkomen.) Via wat lastige binnenweggetjes kwam ik in Barcelona. Zo mooi vond ik het er niet, maar druk was het er wel. Vanaf hier ben ik maar weer naar het noorden gegaan en kwam ik voor het eerst langs de Costa Brava. Tossa de Mar was wel aardig. Vandaar ben ik een beetje het binnenland ingedoken en kwam ik via Girona bij de franse grens. De weg naar Portbou was erg fraai en behoorlijk heuvelig.

In Frankrijk viel het eerste stuk wat tegen, maar daarna ging het wel weer. Perpignan en Narbonne zijn daar leuke plaatsen. In Nîmes heb ik deze Arena bezocht. Het werd inmiddels zo heet (35 C) dat ik besloot een stukje te treinen van Avignon naar Lyon. Beide zijn dit trouwens ook mooie steden. Lyon was alleen niet een verstandige plaats om te overnachten. Vanaf hier ben ik de Bresse ingefietst. Dit is een erg mooie omgeving en ze hebben er leuke Boerderijtjes. Over fiets-wegen valt er niet te klagen in Frankrijk, ook hier weer prachtig geasfalteerde D-weggetjes.

Ik kwam nu weer in de Bourgogne terecht, waar ik vorig jaar ook door gefietst was. In het mooie Baune zag ik dit historische museum Ziekenhuis. Met de Saône mee reed ik op Epinal af. Deze plaats ligt aan de Moezel, en ook de Maas ontspringt in dit gebied. Het is dus mogelijk om van Nederland via hier naar Spanje te fietsen zonder boven de 700 meter te komen. In dit mooie gebied begon en bleef het flink regenen. Zelf vond ik 3600 km ook wel genoeg en nam ik de trein terug. Bij Luxemburg moest ik nog een stukje fietsen omdat de trein op zondag hier de grens niet over ging. Gelukkig was het daar weer een beetje droog.

Bij Mont-Saint-Michel was het moeilijk om een hotelletje te vinden, dit had te maken met een feest-weekend van de Fransen. Voor de rest waren er geen overnachtings-problemen. Het viel me op dat het bij en in Spanje een stuk goedkoper was.

Hiernaast nog een kaartje met de route. Op 6 juni vertrok ik en op 6 juli was ik terug. Ik had alleen in m’n hoofd om Normandië te bekijken, de rest ging per toeval.

deel 1 | deel 2 | deel 3 (met kaart) | aanvulling 2016

TourFiets-verslagje 1999 deel-2

Op dit eiland is het prima (links) fietsen, ze hebben goede wegen. Gekgenoeg kreeg ik er wel een lekke band. Deze foto maakte ik aan de Noordkant. Na 60 km was ik het eiland rond en ging ik met een snellere veerboot naar Saint-Malo. Deze Bretonse plaats is best aardig, maar Mont-Saint-Michel is echt unique. Doordat ik hier op een vreemd tijdstip aankwam had ik geen last van de vele touristen die later op de dag kwamen. Vandaar ben ik meer naar het binnenland van Frankrijk getrokken en kwam ik door Le Mans, die een mooie oude binnenstad heeft. Ook overnachtte ik nog in Amboise. (Later hoorde ik dat Leonardo Da Vinci hier zijn laatste jaren doorgebracht heeft.)

Vanaf Amboise had ik, via Tours, een kastelen-route langs de Loire te pakken. Een prima fietsweg met een fraai uitzicht. Na Chinon, Loudun, Parthenay en Rochefort kwam ik midden in een moeras-gebied deze citadel Brouage tegen. Voor een fietser een doorgaande weg, voor het overige verkeer niet. Via een lange vlakke brug kwam ik op Oleron. Daar was nog zo’n citadel, maar minder mooi. Met dezelfde 5km lange brug ging ik weer terug. Door de harde Biskaaise wind ging ik nu 50km/h, heen was het maar iets van 13. Bij Royan kon ik met deze Pont naar de Medoc oversteken. Het was een vreemd veer, waarbij van de zijkanten geladen werd. Dat ging behoorlijk vlot.

In de Medoc kwam ik nog een groep Amerikanen tegen die hier per fiets een paar kasteeltjes bekeken. Het waren grappige maar vooral kitserige optrekjes. Bij Blaye veerde ik nog maar eens en trof ik daar alweer een citadel aan. In Cadillac werd ik ingehaald door een caravaan old-timers. Rond Castlejaloux trof ik nog een flink bosgebied. Een half jaar later zou dit voor 95% omwaaien. Was ik even mooi op tijd! In deze omgeving kwam ik door wat schilderachtige plaatsjes als Barbaste, Condom en Auch. En voor ik het wist fietste ik met de Garône mee de Pyreneeën in.

deel 1 | deel 2 | deel 3 (met kaart) | aanvulling 2016

TourFiets verslagje 1999 deel 1

Het onderstaande verslag heb ik rond 2002 gemaakt voor mijn destijdse website. Hieronder de vrijwel onaangepaste versie van toen, maar dan 3 deeltjes gehakt. Ik heb nu (in November-2016) alleen een aantal foto’s (deels ansichtkaarten) toegvoegd en heb de foto’s opnieuw en wat groter ingescanned. Meer daarover lees je hier meer.

Dit jaar begon ik in Roosendaal, om vanaf daar Zeeuws-Vlaanderen te bekijken. Het is een mooi fietsgebied, waar je weinig last hebt van auto’s. Hulst vond ik daarbij de mooiste plaats en Cadzand-Strand (het westelijkste puntje van Nederland) was ook best aardig. Via Knokke en het mooie Brugge ging ik dwars door het Belgische Vlaanderen. Voor fietspaden moet je hier niet zijn, deze zijn nog beroerder dan de beruchte betonplaat-wegen. Mooie stadjes zijn er wel zoals bijvoorbeeld Ieper. Na een minescuul stukje Walonië kwam ik in Frankrijk, waar Arras nog steeds Vlaams aandeed. Aan weerszijde van de grens lag het bezaaid met WO-I graven.

De zuidelijke richting heb ik nog een tijdje aangehouden en ben toen afgebogen richting Normandië. Ik ben er vaak omheen gefietst en nu wilde ik dit gebied wel eens beter bekijken. Na eerst de nieuwe Pont de Normandie te hebben bewonderd, kwam ik door leuke plaatsen als Honfleur, Caen (De hoofdstad) en Bayeux. De grillige Noordkust was ook mooi om te zien. Iets verder was Omaha beach, waar de Amerikanen in WO-II aan wal kwamen. Het leek mij een onhandige plek. In Grandville trof ik een mooie zonsondergang. Vanuit deze plaats vond ik een veerbootje naar Jersey.

deel 1 | deel 2 | deel 3 (met kaart) | aanvulling 2016