Site-archief

Aug-19: Piet Apegras

Een klein jaar terug had ik een logje over een driehoek. Daarbij moest ik meteen aan een leraar denken die een eenvoudigere berekening voor de schuine zijde van een driehoek wist.

Wetenschappers zijn het er gemiddeld over eens dat de lengte van de schuine zijde (C) gelijk is aan de wortel van de som der kwadraten van de verticale en horizontale zijdes A en B. Een of andere Griek heeft dit bedacht en het is een heel gedoe om die stelling uit te leggen.

Deze uitleg is iets eenvoudiger. Hieronder een tekening met een 3-hoek en daarnaast 1 met een trappetje dat de schuine lijn vervangt.

Bij dat trappetje zijn alle verticale lijntjes van C even lang als de verticale lijn A. De horizontale lijntjes van C zijn allemaal even lang als de horizontale lijn B. Daarmee is de lengte van dat trappetje gelijk aan A + B. Als je dat trappetje kleinere tredes geeft, dan blijft dat zo. En als je die tredes oneindig klein maakt ontstaat er een schuine lijn, die natuurlijk nog steeds evenlang is als A + B.

Dus C = A + B.

De mensen die dit na willen meten kunnen daarvoor een fietstochtje maken door de Beemster. Deze kuil Dit werelderfgoed is daar speciaal voor ingericht en bestaat uit een raster van wegen die allemaal op een zeemijl (1852 meter) van elkaar liggen. Als je van Schermerhorn naar Middenbeemster fietst kan dit door de grote weg (N243) te volgen in oostelijke richting tot je niet meer verder kan en daar te kiezen voor rechtsaf. Dan kom je door Noordbeemster midden in Middenbeemster uit. Het kan ook door al eerder rechtsaf te slaan via Westbeemster en daarna nog een keer links en later weer rechts. Het fietst leuker met meer bochten, maar is precies even lang.