Site-archief

Jul-30: Sloten / Sleat

Elf maanden geleden fietste ik van Alkmaar naar Steenwijk. Al vrij snel schreef ik toen iets over de zuil van Peter Stuyvesant, die ik onderweg zag. Veel later blogde ik over een setje elektriciteitshuisjes in Friesland. Een daarvan stond in het Friese Sloten. Dit Slaet moet je niet verwarren met Sloten bij Amsterdam, waar ook een mooi e-huisje staat met molen.

In het Friese Sloten staat ook een windmolen tegen de stadswal. Hier vind je een tiental foto’s die ik in dit mini vestingstadje maakte. In een ver verleden heb ik dit Sloten al eens bezocht en merkte dat het erg klein is. Je fietst er dus zo doorheen en veel heb ik daar destijds niet bekeken. Bij dit fietsrondje van afgelopen augustus was het juist 1 van m’n doelen. Ik trof het met het prachtige weer.

Lees de rest van dit bericht

Advertenties

Nov-19: Dag-10 Oostwaarts

In Vesoul heb ik de volgende morgen een broodje in zo’n broodjeszaak zonder stoelen gehaald en vervolgens opgegeten in een mooi café waarvan ik de indruk had dat die brodeloos was. Dat had ik mis, ik zag er anderen met succes een vergelijkbaar broodje bestellen. Maar goed dat ik wat achteraf zat, achter een brede pilaar, met m’n broodje in zo’n stokbroodzak. Kortom minder opvallend gegeten omdat ik niet weet hoe vooral de bediening (die daar zowaar ook rondliep) er op zou reageren. Ik zat binnen omdat het terras al vol zat met schijnbaar 1 grote familie. Dus kinderen, oma’s en mogelijk een buurman of -vrouw. Iedere Fransman geeft een bekende man ‘s-ochtends een hand en een vrouw een zoen. Daar kijk ik niet van op. Maar als jonge mannen een opa zoenen, dan is er toch eerder een familieband. Het schoof af en aan en ik had van binnen een mooi uitzicht op deze terrastoelendans.

Net na het geld pinnen zag ik een postbode met e-bike, dus eigenlijk een e-post. Franse postbodes, maar ook prullebaklegers in o.m. Lille gebruiken steeds meer een elektrisch ondersteunde fiets. Gewone fietsers kwam ik deze dag vrijwel niet tegen en ook geen racefietsers of (op deze postbode na) e-fietsers. Ik ging vanaf hier noordwaarts richting Vogezen. Niet dat ik stoer wilden doen door daar dwars overheen te fietsen, maar omdat Luxeuil-les-Bains er tegenaan ligt. Op een foldertje in het hotel had ik begrepen dat dit de meest bezienswaardige badplaats in dit gebied moest zijn.
Lees de rest van dit bericht

Okt-27: Dag-2 Vlaamse Molens

Op donderdag 3 september werd ik dus wakker in Puurs. Die dag begon met een strak blauwe hemel en dien te gevolge een behoorlijk lage temperatuur. Ik hield het wel op een fietsbroek, maar over m’n shirt ging m’n jack aan. Als eerste koerste ik op Fort de Liezele aan. Dat ligt tegen de dorpskern van Puurs. In Puurs was ik op dat idee gekomen door een wegwijsbordje.

Dit fort maakt deel uit van de Stelling van Antwerpen. Het lag er netjes, maar gesloten bij. Het eerste wat me opviel waren de draaiborden die ik ken van de locale houthandel waar mijn vader en broer jaren hebben gewerkt. Deze waren echter een stuk kleiner. Ongeveer maatje putdeksel. Mogelijk werd munitie op deze manieer het fort ingereden aangezien de rails over de brug het fort in gingen.
Lees de rest van dit bericht

Dec-09: Burcht of Slot?

In de afgelopen dagen heb ik m’n fietsvakantie van 2007 gereanimeerd. Dat was bijna de laatste die door wegminlog was gemold. Ik heb de foto’s wat groter op eigen fotopagina’s teruggezet. Destijds stonden de foto’s nog los en kwamen per stuk als je op een fotootje klikte. Verder natuurlijk ook hier de linken hersteld en tags toegevoegd.

Een zeer opzienbarende vakantie was het niet, maar wat me wel opviel was dat ik in Nederland langs flink wat kastelen kwam zoals Ammersoyen, Heesch, Helmond, Wijnandsrade en ‘s-Heerenberg. Met daarbij nog wat vergelijkbare bouwwerken rond de Moezel. Al een tijdje gebruik ik daar 2 tags voor, een Burcht of een Slot. Kasteel gebruik ik niet als tag en Citadel (een versterkte stad) weer wel.
Lees de rest van dit bericht

Nov-11: Ville Vauban

Even een apart log over citadellen. In Frankrijk en België staat daar vaak Vauban bij. Deze markies was een bedenker van dit soort versterkte plaatsen, en vaak een verbeteraar van bestaande citadellen. Vauban was een militair bouwkundig engineer. Soms is het alleen een groot fort op een strategische plek zoals in Bitche en Belfort. Beide lijken sterk op elkaar. Die van Belfort heb ik in 2003 bekeken.

Tijdens mijn vakanties ben ik door veel plaatsen met een citadel gekomen, waarbij de naam Vauban genoemd wordt. Goed voorbeeld zijn Blaye en Besançon. Die lijken ook op deze citadel met (soms een dubbele) droge gracht er omheen.

In 1999 trof ik er 3 op rij, voor Blaye fietste ik door Oleron en Brouage en een stuk eerder door Ieper en Arras en veel verder door Perpignan. Die van Brouage is heel anders, daar zit een volledig dorp tussen de muren. Dat is ook zo bij Neuf-Brisach die prachtig 8-hoekig is opgezet en waar ik 2x geweest ben. De eerste keer in 2000. Ik fietste toen ook door Metz. In 2001 ging ik door Namur daar ligt ook zo’n groot geval van Vauban bij de Sambere-Maas samenstroming. Zo ik het nu zie heeft ie niet meegedacht aan de forten van Huy, Dinant en Givet die ik in dezelfde vakantie zag.

Hij werkte wel aan de citadel van Toul waar ik in 2005 was. Dat geval van Verdun is waarschijnlijk een stuk recenter, net als die van Jülich.

Andere steden met een citadel waar ik gefietst heb en Vauban gefortificeerd, zijn: Antibes, Bayonne, Bergues, Bouillon, Gravelines, Kehl, Luxembourg, Maastricht, Maubeuge, Morlaix, Saint-Malo, Saint-Omer, Sedan, Sisteron, Ieper, Colioure, Rochefort en Toulon.

Nou wil ik die van Bergues nog een keer goed bekijken. Ik ben ooit dwars door hun leuke grachtencenrum gefietst en hun citadel is me nooit opgevallen.

Vauban heeft ook gewerkt aan Landau waar ik 100km eerder door fietste. Nu begrijp ik beter de ruime rechthoekige indeling van die stad. Toch heb ik er geen citadel in herkend. Mogelijk is er nog ergens een stuk vestingsmuur te vinden, maar niet op de manier zoals ik er in en er uit ging.

Vauban was trouwens niet de enige die dit soort dingen ontwierp. In Nederland liggen er ook hele mooie, zoals bijvoorbeeld Naarden, Heusden en Willemstad en natuurlijk de Stelling van Amsterdam. Die van Bourtange vind ik de mooiste en die van Bitche lijkt me het imposantste.

De Bult van Bitche

Vanaf de weg gezien.

Fietsvakantie 2004 deel 2

Ik was inmiddels in de Harz gekomen en het voormalige Oost-Duitsland in. De asfalt-wegen en -fietspaden bleven prima van kwaliteit, wat mij de moed gaf om verder oostwaarts te fietsen. Wernigerode vond ik ook erg mooi. Daar begon de HSB (Harzer SmallSpurbahn). Om die te nemen moest ik een paar uur wachten. Dus volgde ik zelf die route op de fiets richting Brocken-berg. Onderweg had ik een stoomtreintje of 3 ingehaald, ondanks het stijgingspercentage van gemiddeld 4%.

Bij de voorlaatste halte wilde ik op 800 meter hoogte nog een klein stukje met zo’n trein meetuffen naar de top. Voor die 5km moest ik echter 22 euro betalen. Dat bedrag gold voor de hele lijn vanaf Wernigerode. Dus maar weer op de fiets verder. Dat hield dan ook meteen weer op, omdat er een langdurige bui over deze hoogste berg van de Harz kwam. Na anderhalf uur koffieleuten in Schierke was de bui weg en de temperatuur ook. Op een dergelijke kou (12 graden) had ik niet gerekend, dus snel bergaf richting warmer.

Met een flinke snelheid reed ik naar Quedlinburg. Ook dit is een Unesco-erfgoed. Hier wonen de meeste mensen met de duitse versie van mijn achternaam. Oude kerkhoven of grafstenen kon ik er niet vinden. De stad was trouwens erg verlaten door een jaarlijks feest in Aschersleben. De prijzen voor accommodatie waren een stuk (50%) hoger als in Goslar, terwijl ik die stad toch een stuk mooier vind. (Destijds ‘spaarde’ ik nog geen putdeksels. Geen idee of me die van Quedlinburg destijds zijn opgevallen. Gelukkig stuurde Margo rond 2010 haar versie.)

Ik was nu in het oorsprongs-gebied van onze naam beland. Zo ben ik door Pansfelde en Abberode gegaan. Dit zijn gehuchten waar geen winkel of kroeg te vinden is. In dit bosrijke gebied was het wel heel lekker fietsen. Vrijwel alle plaatjes eindigen daar op rode wat met rooien van bomen van doen heeft. Net buiten Abberode stuitte ik op de naam Tilkerode. Dit is een gehucht dat onder Abberode valt. In het Archief van Leipzig staat dat de naam Pilgenroth rond 1550 als eerste voorkwam “bei Abberode”. Misschien wordt hiermee wel Tilkerode bedoeld. Bij de overlijdens-advertentie van mijn overgrootvader heeft de Alkmaarse Courant onze naam ook eens structureel vervormd tot Tielkerood. Dat geeft te denken.

Het weer was weer prima en de wind was nog steeds vanuit het westen. Met de uitlopers van de Harz mee ging ik richting Saale. Daar was plotseling weer zo’n tropische bui. Ik was net op tijd om bij het pontje van Rothenburg te schuilen in een leuk Thai’s café. Daar had ik goed zicht op de veerpont die ontzettend vaak (met maar 1 fietser of auto) overstak. Als je aan boord was ging ie meteen weg; menige Metro houdt zijn deuren langer open. Langs de Saale was trouwens een prachtig fietspad. Daar had ik niet veel aan omdat ik naar het oosten wilde. De buien zaten op dat moment ook flink tegen.

Op een heuvel moest ik me uit de voeten maken aangezien het flink onweerde en ik het hoogste punt was. Deze keer kon ik geen goede schuilplaats vinden. Gelukkig hield de regen op en kon ik me richting Köthen droogtrappen. In dat plaatsje kon ik nog een zeer ouderwets hotel vinden, met ouderwetse prijs. Midden in de stad was ook een prachtig restaurant in de Raadskelder. Verder was er het jaarlijkse koeienfeest gaande. Kortom wat wil een mens nog meer…

Bij Dessau zag ik de Elbe, waar het een flink drukker was met Zondagse fietsers. De topplaats was Wörlitz waar alle terrassen afgeladen waren met lavende fietsers. Ik heb niet begrepen waarom deze plaats zo populair was. Van Lütherstadt Wittenberg kon ik dat wel begrijpen. Ook daar heel veel fietsers. Het was nog vroeg en het weer was mooi zonnig dus trapte ik nog even door richting Jüterbog. Op nog geen 5km van de Elbe waren alle medefietsers verdwenen, ondanks dat hier een prachtige recreatief fietspad was.

Inmiddels had ik Sachsen-Anhalt verruild voor de deelstaat Brandenburg. Daarin raast het van de windturbines, hele velden staan er mee vol. Het aantal grote windmolens per inwoner is daar zeker een factor 1000 hoger vergeleken met Noord-Holland. Ook zag ik regelmatig Rapsol bij tankstations staan. Later begreep ik dat 30000 Duitsers op deze Koolzaad-brandstof rijden. Nederland heeft er ook wel 5. We lopen rijden dus wel wat achter. Op mijn fiets zit ik trouwens nog een stuk beter als het om de CO2-uitstoot gaat.

Voor het eerst had ik met deze fiets een lekke band. Achter knalde mijn binnen- door een scheur in de buitenband. In Dahme had ik nog een fietsenwinkel gezien, dus ben ik even 5km teruggelopen. Ik werd er meteen prima geholpen. Van dat kleine stukje lopen kreeg ik later wel blaren. Van de 800km fietsen had ik totaal geen last. Dat terwijl ik gewone schoenen gebruik voor het fietsen en lopen.

Via Luckau belandde ik in het stromingsgebied van de Spree, waarin ik een mooie herberg vond. Het was een boothuis met een (lege) jeugdherberg en een aantal prima “hotel”-kamers met alle voorzieningen en uitzicht op de Spree. Dit was in Beeskow dat prachtig opgeknapt was. Alsof alle gebouwen zo uit de winkel kwamen. Onderweg heb ik heel veel Oost-Duitse plaatsen gezien die net gerenoveerd waren of waaraan hard gewerkt werd.

Bij Frankfurt stak ik de Oder (of Odra) over om een klein stukje Polen mee te maken. De weg ging redelijk, maar de bebouwing zag er een stuk minder uit. Bij Kostrzyn keerde ik weer terug naar Duitsland. Inmiddels had ik dus besloten om verder noordwaarts te gaan. Dat bleek niet zo handig, want daardoor trof ik een flink noordwester tegenwind. In de zogenaamde Oderbruch is het helemaal vlak met lange slingerende rivierdijken. Daar kan je prachtig over fietsen. Het landschap en weertype verschilt dus weinig met Noord-Holland Noord. Die straffe wind joeg me al snel van de rivierdijk af, waardoor ik meer door kleine dorpjes fietste.

In die dorpjes spreek je ook zo af en toe iemand. Zo zat ik heerlijk wat te drinken op een bankje en begon er een 70-jarige inwoonster haar levensverhaal te vertellen. Zij was opgegroeid in het Poolse Stettin en door de latere grenswijzigingen op duits grondgebied beland. Later die avond, in Bad Freienwalde, werd me in de kroeg kwalijk genomen dat ik teveel in de Sie (U) vorm praatte. Ik heb uitgelegd dat dat gewoon gemakzucht is, aangezien de vervoegingen daardoor eenvoudiger zijn. Het maakte voor mij weer eens duidelijk dat Duitsers de laatste jaren flink aan het veranderen zijn. In Oderberg zag ik een leuk Radarschip op de wal naast de Alte Odra. Toen ik daar lekker in het zonnetje zat, trok een pools binnenvaartschip mooie golven in die rivier.

Deel 1Deel 3